foto van Delft W.E. Willem

Naam:

Werkzaam bij:

Plaats:

Functie:

Telefoonnummer:

Email:

mr. W.E. van Delft (Willem)

Hekkelman Advocaten & Notarissen

Arhnem

Notaris

024 - 382 84 86

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Het relaas op deze pagina is het vervolg op gebeurtenissen waarvan verslag is gedaan op de pagina van mr. W.U. Dijkstra.

De ontvangst op 15 december 2012 was dus een koude douche voor ons, dit met name door de arrogante opstelling van mr. Van Delft, waardoor we ons op geen enkele manier serieus genomen voelden. Uit zijn gehele optreden bleek, dit ondanks woorden van medeleven, dat hij van meet af aan alleen zijn verhaal wilde doen en geen enkele boodschap had aan hetgeen de “slachtoffers” hadden te melden. Het ging hier wel over de aantoonbaar onterechte gedwongen verkoop van een kapitale woning van twee bejaarde mensen, waarvoor wij samen 80 jaren hebben gewerkt, dit zonder exorbitante salarissen te verdienen of een erfenis te ontvangen.

Mr. Van Delft weigerde om de door ons meegebrachte stukken te bekijken of zelfs maar in ontvangst te nemen, dit ondanks de telefonische toezeggingen van mr. Dijkstra, waarop ik hem tijdens de bespreking heb gewezen, en ondanks ter plekke meerdere uitdrukkelijke verzoeken onzerzijds.

Ondanks het feit, dat beide notarissen ervan op de hoogte waren, dat ik in de laatste fase van de bodemprocedure de gemachtigde van mijn man was en hem dus ook in de zeer belangrijke comparitie van partijen had vertegenwoordigd, moest ik steeds weer expliciet toestemming vragen aan mr. Van Delft om het woord te mogen voeren, hetgeen mondjesmaat nu en dan werd toegestaan, waarbij hij meerdere malen aangaf weinig tijd te hebben.
Onze zoon Raymond, die ook bij het gesprek aanwezig was, mocht vrijwel niets zeggen en hem werd iedere keer de mond gesnoerd, wanneer hij dit toch trachtte, terwijl het geheel logisch was, dat ook hij zijn zegje wilde doen. Zijn zorgen om zijn ouders waren logisch, maar het belangrijkste in deze was, dat hij als de andere voormalige vennoot van Xenon Computers V.o.f. zeer goed inhoudelijk op de hoogte was van de gehele gang van zaken en net als zijn moeder wist, dat mr. Naus en meerdere magistraten van zowel zijn zaak als van die van zijn vader een onvoorstelbare puinhoop hadden gemaakt, waardoor zowel hijzelf (in een arrest d.d. 19 april 2011) als zijn vader in het vonnis d.d. 13 april 2010 ten onrechte waren veroordeeld tot betaling van enorme bedragen aan V.N.I. betreffende achterstallige huurpenningen, boetes, rente en kosten. Onze zoon is van het eindarrest van 19 april 2011 in juli 2011 in cassatie gegaan.

Het een paar keer aankondigen door mr. Van Delft, dat hij het gesprek zou beëindigen omdat het één en ander hem niet zinde was niet professioneel, onnodig en gegeven de situatie uitermate kwetsend, waarbij hij één van zijn aankondigingen zelfs al deed, omdat onze zoon naar zijn zin te veel zei en dat aan mr. Van der Veen over te laten. Terecht werd hij vervolgens door mij gewezen op het feit, dat het ging om de woning van mijzelf en mijn man, dat wij de geëxecuteerden waren en hij ons gewoon te woord moest blijven staan. Het is waar, dat ik daarbij uit woede en frustratie met een stapel stukken op de tafel heb geslagen.

Op de site van Hekkelman vonden wij de volgende stelling van mr. Van Delft:

“Ik zie mensen altijd in een leuke én spannende situatie: ze kopen of verkopen onroerend goed. Als notaris kan ik hen blij maken met goede advisering en begeleiding”

Het hoeft geen betoog, dat zijn bezoekers van 15 december jl. niet tot de bovengenoemde categorie behoorden en dat er daarom blijkbaar geen goede advisering en begeleiding benodigd was, terwijl in een geval als dit waarbij het bezit van iemand dreigt gedwongen verkocht te worden een notaris juist het belang van die persoon of personen in het oog dient te houden, dit zoals de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in een beslissing d.d. 28 mei 2009 uitdrukkelijk heeft gesteld. Het vertellen, dat hij een ministerieplicht had en uitleg over de gang van zaken met betrekking tot de veiling was voor mr. Van Delft in de voor mijn man en mij zeer penibele situatie kennelijk voldoende om aan zijn “verplichtingen” richting de veronderstelde wanbetalers te voldoen.

Het meest schokkende was, dat mr. Van Delft door het vonnis van 13 april 2010 bladerend binnen enkele minuten wist te vertellen, dat mijn man wegens achterstallige huur een bedrag van om en nabij € 252.500,-- aan V.N.I. diende te betalen, dit door het bedrag van € 7.198,47 zoals genoemd in rechtsoverweging 2.1 simpelweg te vermenigvuldigen met 29,5 (periode april 2003 tot 16 september 2005) en daar de B.T.W. bij op te tellen.
Wanneer mr. Van Delft met zijn berekening gelijk zou hebben, dan zou ieder zinnig mens zich overigens afvragen waarom de kantonrechter dan wel de griffier niet die paar minuten hebben uitgetrokken om net als mr. Van Delft tot een berekening betreffende de achterstallige huurpenningen te komen en het resulterende bedrag in het dictum te plaatsen. Ook had mr. Naus namens V.N.I. ingevolge wetsartikel 31 Rv. simpelweg dienaangaande om verbetering van het vonnis kunnen vragen, hetgeen hij om hem moverende redenen heeft nagelaten.
De notaris had bovendien moeten beseffen, dat het de bevoegdheid van een notaris verre te buiten gaat om aan de hand van een vonnis de hoogte van een vordering zelf te gaan bepalen, wanneer een rechter heeft verzuimd om het te betalen bedrag in het dictum te benoemen, met name nu hij geen kennis van de relevante stukken wenste te nemen.

Wij hadden overigens zoals afgesproken met mr. Dijkstra zelf een berekening bij ons, die compleet was uitgelegd op de inhoud van het vonnis en die bewees, dat mijn man een vordering had op V.N.I. in plaats van andersom, hetgeen te maken had met de zeer bijzondere huurovereenkomst, waarop ik in latere publicaties uitgebreid zal terugkomen. Mr. Van Delft weigerde echter ook pertinent die berekening in ontvangst te nemen.

Toelichting: omdat er geen bedrag in het dictum van het vonnis was genoemd hadden de beide gemachtigden op 14 april 2010 telefonisch afgesproken, dit om wellicht toch tot een minnelijke schikking te komen, om aan de hand van de inhoud van het vonnis een berekening te maken, aan welke afspraak alleen mijn man zich gehouden heeft door mr. Naus op 26 mei 2010 die berekening te doen toekomen, dit met een kopie aan V.N.I. . Uit die berekening blijkt zonneklaar, dat niet V.N.I. een bedrag van mijn man te vorderen heeft, maar andersom mijn man van V.N.I., zijnde een bedrag van € 35.970,63. Die berekening is tot stand gekomen met hulp van het Juridisch loket en de advocaat, die het hoger beroep inzake het vonnis d.d. 13 april 2010 heeft verzorgd. Zowel mr. Naus als mijn man en ik waren de mening toegedaan, dat het vonnis onduidelijkheden bevatte.
Saillant detail: Mr. Naus heeft namens zijn cliënte op 19 juli 2011 zelfs een Incidenteel appel betreffende dit vonnis ingesteld, waarin hij forse kritiek heeft op een aantal belangrijke beslissingen van de kantonrechter!

In de bespreking heb ik de beide notarissen verteld, dat mr. Naus geheel onverwacht reeds op 20 mei 2010 een exploit met een betalingsbevel had uitgebracht, nooit op de berekening van mijn man had gereageerd en ook niet op telefoontjes, brieven en e-mails onzerzijds daaromtrent.

Op de vraag van mij welk bedrag hij dan aan V.N.I. ging uitkeren na de voorgenomen executoriale verkoop antwoordde mr. Van Delft doodleuk, dat dat het bedrag was, waaromtrent V.N.I. (in casu mr. Naus) ingevolge wetsartikel 551 Rv. een verklaring zou afleggen, daarmede duidelijk demonstrerend, dat hij lak had aan hetgeen de andere partij in deze te melden had.

Bij een latere aangetekende brief d.d. 2 januari 2012 , waarin o.a. de inhoud van het gesprek van 15 december 2011 is bevestigd, hebben wij de beide notarissen alsnog alle relevante stukken toegezonden met betrekking tot onze beweringen, die herhaald zijn in de brief van 25 april 2012 aan kandidaat-notaris Dijkstra, dat de kantonrechter tal van juridische misslagen heeft gemaakt, de goede procesorde heeft geschonden, geen hoor en wederhoor heeft toegepast, zich tijdens de comparitiezitting schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofde drukuitoefening op mij als gemachtigde, het vonnis niet executabel en bovendien nietig is, etc. etc.
Op al die feiten zal in vele publicaties uitgebreid worden teruggekomen, zo ook op de onrechtmatige rechtspraak, die door meerdere magistraten is gepleegd in de zaak V.N.I./R.T.B. Hofs en waarnaar de kantonrechter haar oren heeft laten hangen in de zaak V.N.I./B.Th. Hofs, dit met alle gevolgen van dien voor vader en zoon Hofs en dus ook voor mij en de rest van ons gezin.
In de bespreking heb ik de beide notarissen tevens verteld, dat mr. Naus geheel onverwacht reeds op 20 mei 2010 een exploit met een betalingsbevel heeft uitgebracht, nooit op de berekening van mijn man heeft gereageerd en ook niet op telefoontjes, brieven en e-mails onzerzijds daaromtrent, hetgeen zeer veelzeggend is.

Een zeer belangrijk document bij de brief van 2 januari 2012 was: De frauduleuze handelwijze van VNI en Poelmann van den Broek met betrekking tot de “beslagleggingen”.
In die brief hebben wij ook geschreven, dat de Rabobank vanwege de zeer bevreemdende gang van zaken met betrekking tot de beslagleggingen door V.N.I. de executie niet wenste over te nemen, hetgeen zeer veel betekenend is.

Tenslotte hebben wij in onze brief nog gewezen op wetsartikel 17 lid 1 en wetsartikel 21 lid 2 van de WNA en op de artikelen 4 en 22 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels van de KNB.

Notaris Van Delft bleef er in meerdere telefoongesprekken en e-mails steeds op hameren, dat wij een executiegeschil dienden op te starten en ook adviseerde hij een minnelijke regeling met de beslaglegger te treffen, hetgeen onder normale omstandigheden natuurlijk een goed advies is, maar niet in de gegeven situatie, waarin de notaris met slechts geringe inspanning had kunnen constateren, dat het hier ging om een zeer bijzonder geval, waarin mijn man (toch niet onbelangrijk) bovendien niets aan V.N.I. verschuldigd was.

Wij hebben hem evenzovele keren dus medegedeeld, dat een executie kort geding niet nodig was, omdat hij de opdracht ingevolge wetsartikel 21 lid 2 WNA aan de opdrachtgever diende te retourneren, dit op grond van de door ons aangeleverde bewijsvoering. Daardoor was hij reeds aan de hand van sommige simpele onomstotelijke feiten zonder diepgaand onderzoek in staat de opdrachtgever gemotiveerd mede te delen, waarom de opdracht door hem niet kon worden uitgevoerd.
Wederom verwijzen wij naar een uitspraak van de Kamer van Toezicht d.d. 28 mei 2009, waarin dienaangaande is gesteld: Wanneer tussen twee partijen een geschil bestaat en voor de notaris niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek kenbaar is dat het gelijk aan één zijde ligt, heeft de notaris niet tot taak om een standpunt in een dergelijk geschil in te nemen.
In het onderhavige geval betekent deze uitspraak vanzelfsprekend, dat de notaris een standpunt had moeten innemen ten gunste van mijn man, omdat onomstotelijk vaststond, dat de notaris aanstonds en zonder diepgaand onderzoek niet anders dan tot de conclusie had kunnen komen dan dat het gelijk aan de zijde van B.Th. Hofs lag.

Zeer storend was met name, dat mr. Van Delft voortdurend verkondigde:
“als mr. Naus zegt, dat ik moet executeren, dan zal ik dat doen, omdat mijn ministerieplicht dat voorschrijft", hetgeen overigens ook het veel geciteerde credo van mr. Benedek was.

Alleen al uit hoofde van de inhoud van artikel 2 van de Verordening beroeps- en gedragsregels hadden de notarissen de verplichting tot onderzoek en controle. Uit een uitspraak van de Hoge Raad, zijnde HR 22 maart 1996 NJ 1996, 668, blijkt dat een notaris niet zonder meer mag vertrouwen op de gegevens die hem door een partij zijn aangereikt, in dit geval door V.N.I. (mr. Naus), die zonder enige onderbouwing een door haar te ontvangen bedrag heeft genoemd, gebaseerd op een nota bene niet executabel vonnis. Helemaal te gek voor woorden is dan vanzelfsprekend, dat de door de andere partij aangeleverde bewijsvoering compleet wordt genegeerd.

Het wordt tijd, dat notarissen ook in moeilijke en afwijkende omstandigheden aan hun met name door henzelf hoog geroemde professionaliteit uitdrukking geven en hun rug recht houden, welke mogelijkheid hen wordt geboden via wetsartikel 21 lid 2 WNA, dit in plaats van klakkeloos uit te voeren hetgeen een opdrachtgever hen opdraagt, ook al zien zij dan een leuke verdienste aan hun neus voorbijgaan.

Zelfs na ontvangst van een e-mail van mij d.d. 10 april 2010, waarin ik hem en mr. Dijkstra in vervolg op hetgeen wij reeds in de brief van 2 januari 2012 over de schending door het gerechtshof van het Landelijk Procesreglement (LPR) had geschreven nog heb medegedeeld, dat door de rolraadsheer van het Hof in de zaak V.N.I./B.Th. Hofs in elk geval meerdere foutieve rolbeslissingen waren genomen, welke rolbeslissingen volgens een uitspraak van de Hoge Raad konden worden aangemerkt als (incidentele) arresten, blijft mr. Van Delft op koers.
In mijn e-mail heb ik zelfs het relevante gedeelte van die uitspraak geciteerd

In zijn antwoord e-mail d.d. 12 april 2012 had mr. Van Delft het namelijk alleen over een “verzoeningsgesprek” met V.N.I., waarbij natuurlijk door ons betalingstoezeggingen moesten worden gedaan.
Zondermeer ging hij er ook van uit, dat hetgeen mr. Naus hem telefonisch had verteld op waarheid berustte, namelijk dat er ingevolge de gedragscodes voor de advocatuur betreffende zo’n gesprek eerst een en ander met onze advocaat moest worden kortgesloten en dat mr. Naus daarom enkele malen via e-mail mr. Van der Veen had proberen te bereiken, hetgeen achteraf overigens een verzinsel van mr.Naus bleek te zijn. Verder verzocht hij mij met klem hem niet inhoudelijk in de zaak te betrekken.

Reeds op 1 maart 2012 had ik mr. Naus reeds het volgende gemaild:

“Ik maak u erop attent, hetgeen u natuurlijk weet, dat ik de gemachtigde van mijn echtgenoot in de bodemprocedure bij het kantongerecht was en dit ook was tijdens de comparitie van partijen op 1 april 2010. Het was dus geheel logisch en correct geweest als u uw verzoek om een gesprek aan mij had gericht in plaats van aan mr. Van der Veen.”

Mr. Van der Veen heeft overigens meerdere malen aan mr. Van Delft gecommuniceerd, dit later ook aan mr. Benedek, dat hij net als collega-advocaten ervan overtuigd was, dat het vonnis niet executabel was en dat B.Th. Hofs ingevolge de inhoud van dit vonnis ook niets aan V.N.I. verschuldigd was. Zodoende zou het zelfs ten gronde foutief zijn geweest, wanneer mr. Van der Veen betrokken zou zijn geweest bij eventuele schikkingsonderhandelingen, hetgeen hij vanwege de genoemde redenen ook altijd geweigerd heeft.
 
Dan ontvangen wij op 7 juni 2012 een e-mail van mr. Van Delft, dat hij het veilingdossier zal overdragen aan collega-notaris mr. P. Benedek van notariskantoor Van Putten Van Apeldoorn. Als reden voor de overdracht wordt het feit genoemd, dat mr. S.J. van Susante (een collega) in het verleden als advocaat voor man en zoon heeft opgetreden. Het opgeven van die reden wekt verbazing, omdat er in een e-mail van 13 december 2011 door mr. Dijkstra is bericht, dit na een opmerking van mr. Van der Veen, dat het Hekkelman Notarissen vrij staat deze zaak te behandelen, te meer daar wij niet de partijnotaris van V.N.I. zijn, aldus mr. Dijkstra.

Mr. Van Delft meent tegen beter weten in wederom te moeten berichten, dat het vonnis gewoon te executeren is, dit na ingewonnen advies bij deskundigen. De door ons geraadpleegde deskundigen hebben dus iets totaal anders gezegd. Waarom het gaat is echter, dat ook in deze kwestie de wet gevolgd diende te worden in casu wetsartikel 504a Rv., welk artikel aan duidelijkheid niets te wensen overlaat en waaromtrent helemaal geen deskundigen hoeven geraadpleegd te worden.

Tenslotte wordt ons wederom door mr. Van Delft op het hart gedrukt een executiegeschil te starten, maar vooral om toch met V.N.I. om de tafel te gaan zitten, terwijl ik mr. Van Delft uitgebreid op de hoogte had gebracht van de pogingen die daartoe onzerzijds waren ondernomen en het nooit reageren daarop van mr. Naus noch V.N.I. daarop.

Spraakmakend: kort na de door ons tenslotte kort voor de veiling toch maar uitgebrachte dagvaarding inzake een executiegeschil, waarvan wij de uitkomst vanwege de voorafgaande foutieve vonnissen met angst en beven tegemoet zagen, kwam er het bericht van V.N.I., (aannemelijk is dat dit een advies van haar advocaat was) dat zij dit kortgeding “zinloos” vond met tevens het dringende verzoek het niet te laten doorgaan. Ik weet, dat deze actie niet voortkwam uit haar vrees, dat de woning bij een gedwongen verkoop niet voldoende zou opbrengen om de “schuld” aan haar te voldoen. Dienaangaande had V.N.I. en ook haar advocaat mr. Naus namelijk meerdere malen uitdrukkelijk aangegeven, dat er door hen vanuit werd gedaan, dat de woning ter veiling voldoende zou opbrengen om naast de hypotheekschuld een substantieel bedrag aan V.N.I. te voldoen ! (wat daar verder ook van zij).
Te zijner tijd kom ik terug op mijn visie over dat “zinloos” zijn.

De handelwijze van Hekkelman Notarissen in verband met wetsartikel 514 Rv.

Ingevolge lid 1 van dit wetsartikel geschiedt de executoriale verkoop ten overstaan van een bevoegde notaris en lid 2 geeft aan, dat zo de notaris niet reeds in het proces-verbaal van inbeslagneming is aangewezen, de aanwijzing geschiedt bij exploot aan de geëxecuteerde. Hetzelfde geldt voor de vervanging van een reeds aangewezen notaris.

Let wel: een kandidaat-notaris is geen bevoegd notaris!

Op 29 november 2011 ontvangt mijn man een exploot ingevolge wetsartikel 514 Rv. lid 1, welk exploot echter nietig is, omdat in dit exploot kandidaat-notaris mr. W.U. Dijkstra wordt aangewezen als de notaris, die met de executoriale verkoop wordt belast, terwijl deze geen bevoegd notaris is. In de tekst van het exploot wordt mr. Dijkstra overigens ten onrechte notaris genoemd i.p.v. kandidaat-notaris.

Na mijn kritiek en aanvankelijke beweringen van zowel mr. Dijkstra als mr. Van Delft, dat dit gewoon mogelijk was, ontvangt mijn man echter plotseling op 1 mei 2012 dienaangaande een wel rechtsgeldig exploot, waarin thans mr. W. van Delft als met de executoriale verkoop belaste notaris wordt aangewezen.

Ik wens nog op te merken, dat het zeker niet uit rancune is, dat ik de gang van zaken publiceer, maar uitsluitend en alleen om dergelijke mistoestanden in de toekomst te voorkomen en het notariaat beter te laten functioneren. Ik heb de beide heren Dijkstra en Van Delft op 7 juni 2012 dan ook bericht, dat wij persoonlijk geen “hard feelings” naar de beide heren hebben.