Per e-mail van 30 oktober 2019  schrijft de heer Stam aan mij echter, dat er geen sprake is van opgewekt vertrouwen en dat ING in al haar correspondentie alleen heeft aangegeven, dat zij bereid is de zaak te onderzoeken en dat daarvoor mijn input nodig was !!. Hoe verzin je het ! Inzake de overige standpunten in mijn brief zegt de heer Stam, dat hij daarin niets nieuws heeft gelezen en een herhaling betreft van mijn eerdere standpunten, hetgeen een nauwelijks te bevatten stelling is. Tenslotte stelt de heer Stam, dat ING thans geen andere keuze heeft dan het opeisen van de hypothecaire lening en vervolgens de executoriale verkoop van mijn woning.

In een e-mail van 13 november 2019 heb ik ING van repliek gediend inzake haar visie, dat er geen sprake is van een opgewekt vertrouwen. Tevens heb ik geschreven, dat wanneer ING de aangekondigde brief inzake de opzegging van de hypotheeklening verstuurt  en daarbij aangeeft, dat het door mij te betalen bedrag nog € 370.990,88 bedraagt, zij zich schuldig maakt aan bedrog. Dit omdat de betreffende aflosnota  € 0,-- dient te bevatten vanwege de in het arrest van 13 oktober 2015 door het Hof vastgestelde verjaarde vorderingen, die dus ingevolge wetsartikel 6:131 BW verrekend kunnen worden met mijn hypotheekschuld aan ING en hetgeen is gerealiseerd door de door mij op 6 januari 2019 uitgebrachte verrekeningsverklaring op grond van artikel 6:127 BW.

Op 19 november 2019 ontvang ik van ING twee brieven  de inhoud waarvan dus  haaks op elkaar staat. De ene brief vermeldt, dat mijn woning getaxeerd zal worden met het doel deze te gaan veilen. Verder wordt er vermeld, dat de betalingsachterstand € 7.312,23 bedraagt en dat de taxatie kan worden voorkomen, wanneer dit bedrag betaald wordt vóór 28 november 2019.

De andere brief vermeldt, dat de hypotheeklening thans wordt opgeëist en dat de totale hypotheekschuld op 19 november 2019 € 379.197,30 bedraagt. Ter voorkoming van de gedwongen verkoop dient dit bedrag uiterlijk op 17 december 2019 op de rekening van ING te staan en wanneer dit niet lukt (!) dan de woning zal worden geveild, waarbij de veilingkosten voor mijn rekening zijn.

Op 26 december 2019  stuur ik wederom een e-mail aan de heer Stam, waarin ik een resumé geef van al hetgeen ING ten onrechte heeft verkondigd en gedaan  met betrekking tot de onderhavige kwestie, zijnde dus mijn recht om de verjaarde vorderingen  te verrekenen met de hypotheekvordering, die ING op mij heeft.

In een e-mail van 17 januari 2020 komt de heer Stam weer met de nietszeggende en tevens verbazingwekkende dooddoener,  dat hij ook in mijn e-mail van 26 december 2019 geen feiten of omstandigheden leest, die de situatie veranderen. Daarbij verwijst hij naar de standpunten van ING in haar eerdere e-mails, daarbij dus compleet negerend, dat ik al die standpunten degelijk onderbouwd steeds opnieuw onomstotelijk onderuit heb gehaald. Hoe misplaatst is deze reactie zijdens ING ! Voor de zoveelste keer wordt er gedreigd met de gedwongen verkoop van mijn woning, dit maal wanneer ik de achterstand niet vóór 1 februari 2020 heb betaald.  

Dit steeds opnieuw gegeven uitstel inzake het betalen van de zogenaamde achterstand gebeurt niet uit coulance, maar dient uitsluitend en alleen om deze oude dame zo murw en ziek te maken, dat zij uiteindelijk haar hoofd in de schoot legt en ING haar zin geeft.

Het allerergste is daarbij, dat zowel ING als mr. Jager dondersgoed weten, dat de  berichtgevingen en dus ook de dreigementen zijdens ING ter zake de executoriale verkoop van mijn woning volslagen onterecht zijn.

Reeds bij erkenning door ING en mr. Jager van de onverschuldigde betaling tijdens de schuldsaneringsregeling en de betaling of verrekening daarvan met de beweerdelijke achterstand betreffende de hypotheekrente zou mij lucht en rust hebben  gegeven, waarna de andere kwestie verder aan de orde had kunnen komen, die overigens eveneens overduidelijk is.  

Uiteindelijk heb ik een advocaat,  mr. D.P. Kant van Van Zutphen Kant Hollema Advocaten ingeschakeld, met het inschakelen waarvan ik heel lang heb gewacht, omdat ik zelf zeer goed in staat was adequaat op de onzinnige en verbazingwekkende stellingen en standpunten zijdens ING te reageren en een advocaat nu eenmaal veel geld kost,  waarover ik niet beschik. In een brief van 7 januari 2020  stelt mr. Kant,  dat het inderdaad zo is, dat de hypothecaire hoofdelijke vordering van ING op mij en mijn  overleden echtgenoot B.Th. Hofs,  teniet is gegaan door verrekening met de verjaarde vorderingen van mijn man en mij op ING en dat dat is gebeurd door de daartoe strekkende verklaring ingevolge wetsartikel 6:127 BW van 6 januari 2019, waarna er nog uitgebreide onderbouwingen en toelichtingen  door mr. Kant worden gegeven.

Tenslotte stelt hij onder punt 8 van zijn brief het volgende:

"Een tweede verschil van mening tussen ING en cliënte betreft de door haar en haar echtgenoot betaalde rente tijdens de periode waarin op hen de wettelijke schuldsanering ingevolge de WSNP van toepassing was. Cliënte stelt zich in dat verband op het standpunt dat sprake is geweest van onverschuldigde betaling van deze rente in die periode, hetgeen ING betwist. Om te voorkomen, dat beide zaken door elkaar gaan lopen kom ik op laatstgenoemde kwestie bij separate brief bij u terug."

In zijn e-mail van 23 januari 2020  meldt de heer Stam vervolgens aan mr. Kant, dat hij binnen 10 dagen een onderbouwing moet geven inzake de door zijn  cliënte gepretendeerde onverschuldigde betaling tijdens de periode van de wettelijke schuldsanering. Deze onderbouwing is dus, het zij herhaald,  ook al uitgebreid en degelijk door mijn man en mij gegeven in onze processtukken tijdens de op 20 november 2012 door ons opgestarte procedure en gedurende de afgelopen jaren door mij   in meerdere e-mails, aangetekende brieven en separate documenten,  welke dus aanvankelijk  correct zijn  gericht aan de directie  van ING, afd. Klachten, en later aan de Juridische Afd. van ING  en na berichtgeving zijdens ING alleen aan  de heer Stam, welke correspondentie  dus kennelijk niet is gelezen, laat staan bestudeerd is.

Het wekt overigens verbazing, dat de heer Stam eerst gesteld heeft, dat hij geen nut zag in een discussie met een advocaat inzake de onverschuldigde betaling, omdat volgens hem het standpunt van ING in dezen reeds vaststond,  en deze advocaat vervolgens toch sommeert om binnen 10 dagen  daaromtrent een onderbouwing te geven.

De meest in het oog springende onzin in zijn e-mail is, dat ING (in casu mr. Jager) van mening is, dat omdat de vorderingen verjaard zijn, er nooit is vastgesteld dat ik schade heb geleden en ik ook nooit meer in de gelegenheid zal zijn om mijn vorderingen op inhoudelijke gronden te laten beoordelen. Het wil maar niet tot ING en mr. Jager doordringen of zij doen alsof,  dat wanneer vorderingen als verjaard worden beoordeeld, deze vorderingen  dus bestaan en dientengevolge ook  helemaal niet meer vastgesteld hoeven te worden. De hoogte ervan is in de dagvaarding en in de verrekeningsverklaring te vinden.

Bovendien blijkt uit r.o. 3.7 van het arrest van 13 oktober 2015, dat ook het Hof meerdere keren duidt op de schade die mijn man en ik (geduid als Hofs c.s.)  hebben geleden. Ik citeer als voorbeeld enkele zinnen uit die rechtsoverweging, waaruit dat overtuigend blijkt (letterlijk citaat):

"Hofs c.s. stellen alleen, dat zij op 1 maart 2005 in het bezit kwamen van de door hen op 3 september 2002 getekende acceptatiekopie  en toen pas volledig inzicht kregen in de foutieve handelwijze van ING inzake de inhoud van de kredietovereenkomst en de hypotheekakte. Het Hof leidt hieruit af , dat Hofs c.s. in ieder geval  toen volledig bekend waren met het door hen gewraakte handelen van ING. Het moet er ook voor gehouden worden, dat Hofs c.s. verder bekend waren met de schade  die daardoor was ontstaan. In elk geval vanaf dat moment waren zij dus in staat een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen." Dit betrof dus vordering  I.

en

"De vorderingen II t/m VI  zien op schade die in de periode tot 23 juli 2007 (het einde van de schuldsaneringsregeling) is ontstaan als uitvloeisel van hetzelfde onrechtmatige handelen."

Veel waarde hechten ING en mr. Jager ook aan het door het Hof gestelde in r.o. 3.14 van zijn arrest,  waar het Hof enkele overwegingen  ten overvloede ten beste heeft gegeven. Nog afgezien van het feit,  dat deze overwegingen ten gronde foutief zijn, hebben zij ingevolge jurisprudentie ook geen gezag van gewijsde, waarvan mr. Jager als ervaren advocaat vanzelfsprekend ook heel goed op de hoogte is of zou kunnen zijn.

Tenslotte stelt ING, dat de lening reeds is opgeëist, waarbij echter  gezien de tegenstrijdigheden in de beide brieven van 19 november 2019 (zie mijn relaas hierboven) grote vraagtekens geplaatst kunnen worden. En wanneer die opeising wel rechtsgeldig zou zijn gebeurd (niet dus) betekent dit een zwaarwegende onrechtmatige daad zijdens ING, die door mr. Jager is geadviseerd.

Vervolgens geeft ING mij  deze keer tot de datum van 1 maart 2020 nog de kans mijn “achterstand” te betalen, waarmede dan de veiling zou worden voorkomen.

Tot mijn verbijstering zie ik bij het checken  van de incassoberichten,  dat ING op 3 februari 2020 een bedrag van € 11.401,13 als te incasseren van mij heeft vermeld, daarbij de onzin verkondigend, dat dit incasso is geweigerd  en tevens dat het hier een doorlopende machtiging betreft. Na navraag bij ING stuurt de heer Stam mij op 6 februari 2020  het volgende bericht:

"Het bedrag van € 11.401,13 betreft een bedrag voor juridische kosten die ING heeft moeten maken bij de reacties op uw uitgebreide e-mails en brieven over de hypotheek en op basis van artikel 8 van haar Algemene Voorwaarden ING Hypotheken in rekening heeft gebracht."

Ook uit deze e-mail blijkt wederom,  dat ING hardnekkig vasthoudt aan haar onbegrijpelijke visie, dat de hele discussie met name ging over de met haar op 8 juli 2015 door mijn man en mij afgesloten hypotheeklening, terwijl het dus over twee totaal andere kwesties ging en er met de hypotheeklening op zich niets mis was.

Het is volkomen duidelijk, dat mr. Jager de door mij in mijn e-mails en  door mr. Kant in zijn brief van januari 2020 aan de kaak gestelde foutieve en veelal absurde stellingen zijdens ING aan ING heeft geadviseerd en dat dit vanwege  het forse door mr. Jager bij ING in rekening gebrachte bedrag ook nog eens veelvuldig is gebeurd.

Het is bovendien volstrekt onaannemelijk, dat ING die adviezen in de wind heeft geslagen en  een eigen  visie aan mij en mijn advocaat heeft verkondigd, zoals mr. Jager af en toe heeft gesuggereerd. Daarvoor schakel je immers geen dure advocaat in. Ook was mr. Jager als  advocaat van ING (die hij ook vele malen in andere zaken heeft bijgestaan)  er vanzelfsprekend van op de hoogte, dat ING zijn gepeperde rekeningen een op een aan mij zou doorbelasten, dit ook nog eens zonder enige berichtgeving vooraf en/of  een specificatie te overleggen. Al met al een schandalige manier van doen, waaraan mr. Jager bewust heeft meegewerkt om zijn goede klant van dienst te kunnen zijn en zijn kantoor  daarbij over mijn rug met zijn  immorele handelwijze ook nog eens ten onrechte verrijkt heeft.  

In een e-mail van 6 februari 2020  aan de heer Stam  begin ik met te stellen, dat de inhoud van zijn e-mail weer verbijsterend is, dit met de toevoeging, dat omdat  zijn afdeling van 6 personen, geheten “Specialistenteam Achterstanden”,  en ook de afd. Juridische Zaken van ING kennelijk niet in staat waren  om twee simpele kwesties adequaat af te handelen, ING het normaal vindt, dat ik de kosten van de toen door ING ingeschakelde mr. Jager betaal.

Ook heb ik gesteld, dat ING die kosten in elk geval niet op grond van artikel 8 van de Algemene Voorwaarden ING Hypotheken op mij kan verhalen. Dit omdat de gevoerde correspondentie helemaal niets met de hypotheek op zich heeft te maken, maar steeds is gegaan over de ontkenning van ING, dat de in het arrest van 13 oktober 2015 als verjaard beoordeelde vorderingen met de hypotheekschuld verrekend kunnen worden. Alsook gaat over het aanvankelijk weigeren van ING toe te geven, dat er tijdens de schuldsaneringsregeling door haar ten onrechte rente is geïnd en vervolgens het bij mij opgewekte vertrouwen, dat zij toch zou gaan betalen dan wel verrekenen,  te beschamen.

Nogmaals heb ik er in mijn e-mail op gewezen, dat het Hof zowel in r.o. 3.8 als in r.o. 3.13 van zijn arrest van 13 oktober 2015 heeft gesteld,  dat de vorderingen I t/m VI verbintenissen tot schadevergoeding betreffen, welke schade ING zelf in  haar processtukken ook volmondig heeft toegegeven, maar in haar e-mail aan mr. Kant d.d. 23 januari 2020 met werkelijk absurde stellingen heeft ontkend.

Het lijdt geen enkele twijfel, dat mr. Jager met zijn adviseringen aan ING met name Regel 1 Beroepsplichten van de Gedragsregels Advocatuur met voeten heeft getreden, alsook lid 1 van Regel 6 Doelmatigheid en tevens Regel 8 Geen onjuiste informatie.

Gonnie Akkermans