7 mei 2014

Het hele artikel op Advocatie.nl

Mijn reactie: Het mag zo zijn, dat een advocaat vanwege zijn plicht (dit via gedragscodes) om eerbied te hebben voor de rechterlijke macht daarom geen beschuldigingen mag uiten over bedrog en een gebrek aan integriteit van een wrakingskamer, maar de realiteit is gelukkig, dat die beperking niet van toepassing is op burgers.
De advocaat van mijn zoon R.T.B. Hofs heeft op 11 januari 2010 bij het gerechtshof te Arnhem een Verzoekschrift tot wraking ingediend tegen de raadsheren J.P. Fokker, I.A. Katz-Soeterboek en H. van Loo, waarin hij in 27 bladzijden het abominabele werk van deze raadsheren in meerdere arresten in de zaak V.N.I. Enschede B.V./R.T.B. Hofs aan de kaak stelt. Daarbij heeft hij aangegeven, dat hij zijn wraking heeft ingesteld op grond van wetsartikel 36 Rv. en op grond van objectieve aspecten.

De conclusie van de advocaat in het verzoekschrift tenslotte:

“(..)

Alle hierboven genoemde feiten in ogenschouw nemende kan R.T.B. Hofs niet anders dan tot de conclusie komen, dat de raadsheren mrs. J.P. Fokker, I.A. Katz-Soeterboek en H. van Loo zich in ernstige mate schuldig hebben gemaakt aan vooringenomenheid ten gunste van V.N.I., waarbij bovendien voortdurend de wet en de geldende rechtsregels zijn genegeerd dan wel geweld zijn aangedaan, zij de partijautonomie in ernstige mate hebben geschonden en zij tevens machtsoverschrijding hebben gepleegd. Consequent is vrijwel alle bewijsvoering van Hofs genegeerd en zijn zijn rechten vele malen met voeten getreden. De feiten zijn naar de mening van Hofs zo ernstig, dat de drie raadsheren in de onderhavige zaak niet langer als onafhankelijke rechters kunnen optreden, dat hoeft verder geen betoog, gezien de ernst van de aangedragen feiten. Door de uitvoerbaarheid bij voorraad van het te wijzen arrest zal Hofs in onvoorstelbare problemen komen, waardoor zijn leven zal worden verwoest.
De kantonrechter heeft al aangegeven, dat zij het eindarrest van het Hof terzake R.T.B. Hofs zal volgen in de zaak van V.N.I. tegen zijn vader B.Th. Hofs, hetgeen overigens onmogelijk zou moeten zijn vanwege de plicht van rechters onafhankelijk recht te spreken, dit met alle gevolgen van dien voor de bejaarde ouders van Hofs jr. Wel zal Hofs jr. vanzelfsprekend tegen een foutief eindarrest van het Hof met tal van middelen in cassatie gaan bij de Hoge Raad.
Het dringende verzoek aan het bestuursbureau is dan ook de drie raadsheren van deze zaak af te halen en deze zaak over te dragen aan onpartijdige rechters, waarop Hofs ingevolge artikel 6.1 EVRM recht heeft.

(..)”

Het “verweer” namens de drie raadsheren is gedaan door mr. Katz-Soeterboek, dit in enkele zinnen in een ongedateerde brief. Haar voornaamste reaktie was, dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht, waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de betrokken raadsheren kan worden afgeleid.
Een spraakmakende uitspraak in het “verweerschrift” is, dat de klachten van verzoeker alle de wijze betreffen waarop het recht is toegepast of de wijze waarop de beslissingen zijn gemotiveerd. De kern van de klachten was echter nu juist, dat het recht niet was toegepast en er veelal geen enkele motivatie dan wel de verkeerde motivatie was gegeven.
Vervolgens is er ter zitting van 15 februari 2010 nog een pleitnota door mijn zoon voorgedragen, waarin hij o.a. nogmaals heeft benadrukt, dat er in de onderhavige zaak sprake is van opzettelijk foutieve rechtspraak, omdat naar zijn mening de juridische misslagen, wetsverkrachtingen en procedurele schendingen door de (ervaren) raadsheren niet uit onkunde kunnen zijn gemaakt.

De Beslissing van de wrakingskamer d.d. 1 maart 2010 is zoals te verwachten was uitgepakt ten gunste van de blunderende raadsheren en houdt kortgezegd in, dat het tot de wettelijke taak van de rechter behoort om op basis van het recht de beslissingen te nemen en dat het enkele feit, dat die beslissingen in het nadeel van Hofs en de zijnen uitvallen geen grond oplevert voor de verstrekkende diskwalificaties die Hofs in zijn verzoek heeft gebezigd. Het behoeft geen betoog, dat uit deze stelling overduidelijk blijkt, dat de wrakingskamer geïrriteerd is en bovendien totaal voorbij is gegaan aan het door R.T.B. Hofs benoemde en overtuigend bewezen partijdige broddelwerk van de magistraten en doet of zij kundig werk hebben geleverd. Reeds het in r.o. 3.1 gestelde, namelijk dat de wrakingskamer voorop stelt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, sluit op voorhand iedere discussie daaromtrent uit.

Het zal ook geen verbazing wekken, dat Hofs jr. vervolgens in een arrest d.d. 19 april 2011 door het gerechtshof te Arnhem in het ongelijk is gesteld, waarbij hij geheel ten onrechte is veroordeeld tot betaling aan V.N.I. van een astronomisch bedrag aan achterstallige huurpenningen, dit uitvoerbaar bij voorraad. Hetzelfde gerechtshof heeft echter kennelijk toch lering getrokken uit het verzoekschrift d.d. 11 januari 2010 van Hofs jr., want in de op 24 september 2008 tegen zijn vader voortgezette bodemprocedure zijn de drie raadsheren op een gegeven moment vervangen door drie anderen, die uiteindelijk op 2 oktober 2012 ten aanzien van B.Th. Hofs een degelijk en deskundig arrest hebben gewezen, waarin is bepaald dat B.Th. Hofs geen euro aan V.N.I. verschuldigd is en ook nooit is geweest. Dit arrest, dat inhoudelijk ook helemaal is uitgelegd op R.T.B. Hofs en waarbij zijn bewijsvoering in zijn processtukken ook meermaals wordt benoemd en vaak letterlijk geciteerd, bewijst overtuigend, dat het arrest d.d. 19 april 2011 onjuist is.

Mijn visie is luid en duidelijk: ik beschuldig de bovengenoemde raadsheren wel degelijk van bedrog en een groot gebrek aan integriteit. Respect moet door rechters net als door ieder ander verdiend worden en niet automatisch toegekend worden door een wetgever uit hoofde van een functie. Ook de wrakingskamer heeft ten opzichte van mijn zoon respectloos gehandeld door die raadsheren de hand boven het hoofd te houden.

Ook ik heb me in een comparitiezitting moeten inhouden om de betreffende rechter niet flink op zijn nummer te zetten. Uit zijn inleidende praatje begrepen mijn man en ik al meteen, dat hij onze dagvaarding op geen enkele manier had bestudeerd. Toch meende hij te moeten verkondigen, dat wij geen schijn van kans hadden tegen onze wederpartij (zijnde een grote bank), waarna de “bijeenkomst” op de gang met de advocaten van die bank om tot een vergelijk te komen bij voorbaat was mislukt. Tenslotte volgde er een vonnis, waarin wij uiteraard in het ongelijk werden gesteld en hoge proceskosten dienden te betalen. Het vonnis was wederom van een abominabele inhoud, overduidelijk opgesteld door een of andere ongeschoolde, maar wel ondertekend door de (plaatsvervangende) vele bijbanen hebbende rechter, aan de hand waarvan er inmiddels 29 grieven zijn opgesteld, die binnenkort in een hoger beroep procedure zullen worden voorgesteld. Lang leve onze rechtsstaat!
N.B. De stukken inzake de wrakingsprocedure zullen binnen afzienbare tijd compleet op onze website staan, zo ook de procedure, waarnaar in mijn reactie verwezen wordt.

Gonnie Akkermans